Terug naar hoofdinhoud




Gepubliceerd op:
04 mei 2026

Gewijzigd op:
12 mei 2026

Gelezen: 64 x

Zomertijd en Geknienevoerzoek

Zomertijd. Nooit hoef ik mij zoals vele anderen af te vragen of de klok nu een uur vooruit of achteruit gezet moet worden. Altijd gaan mijn gedachten dan gelijk terug naar de jaren zeventig en tachtig toen ik op de zondagochtenden waarop de klok verzet moest worden altijd om vier uur wintertijd per auto (eerst de witte Opel Kadett die ik door bemiddeling van mijn vader kocht van de Landsmeerse eierenhandelaar Piet Kuiper aan het Zuideinde; later met de fameuze blauwe Lada uit Vlaardingen) uit Rotterdam vertrok om twee uur later, zes uur zomertijd aan te komen in Landsmeer om daar in alle vroegte met mijn vader kievitseieren te gaan zoeken. Het opeltje haalde net de 140 km per uur en onderweg tussen Rotterdam-Noord en Landsmeer (via de Coentunnel) kwam ik op de vroege zondagochtend geen enkel stoplicht en hoogstens vijf medeweggebruikende auto’s tegen. Op de achterbank stond altijd het doosje met de kievitseieren die ik de voorgaande zaterdag (alleen) al had geraapt op de uitgestrekte nog braakliggende industrieterreinen van Botlek en Europoort, waarbij ik nauwlettend in de gaten werd gehouden door de bedrijfsbewakingsdiensten van de gevestigde industriecomplexen.

Zelden deed ik iets samen met mijn vader omdat wij geen gemeenschappelijke interesses hadden. Ik wist niets van voetballen en auto’s maar had wel belangstelling voor plantkunde (de speelzandbak aan de noordzijde van ons huis had ik in mijn kleutertijd al snel omgebouwd tot een tuintje waar een groot scala aan al dan niet wilde planten werd verzameld) en later voor politiek. En dat was niet wat mijn vader boeide. Hij hield zich wat de natuur betreft bezig met dieren en dan nog alleen voor zover ze eetbaar waren. Kippen en konijnen slachten, de jacht op hazen en fazanten, varkens mesten, dat was zijn passie.

Alleen op het gebied van kievitseieren zoeken (en rapen) viel onze belangstelling samen, en dat deden we dan ook jarenlang samen in de maanden maart en april. Voorzien van een thermosfles koffie en een paar pakken boterhammen trokken wij er in alle vroegte op uit, ongeacht de weersomstandigheden. Soms voeren we met de melkjol door het brekende ijslaagje van de nachtvorst; soms liepen wij in hemdsmouwen door de zonovergoten grasvelden. Ook storm, regen en hagel kwamen geregeld op ons pad, maar we waren voorzien van rubberlaarzen, regenpakken en zuidwesters; niets kon ons tegenhouden.

Officieel moesten we van elke boer wiens landerijen wij betraden, schriftelijke toestemming hebben. In de eerste jaren ging ik daartoe met mijn “vergunning” wat boeren langs om die toestemming te verkrijgen. En voor de boeren die weigerden zette ik zelf wel even een handtekening ter toestemming. Maar al spoedig merkten wij dat we toch nooit door politie of jachtopzieners werden gecontroleerd en lieten we het regelen van vergunning maar achterwege. De boze boeren die ons luid schreeuwend (“En noest oflopen met dat geknienevoerzoek!”) probeerden te verjagen wisten wij handig te mijden of te vlug af te zijn. Of we kwamen gewoon terug zodra wij merkten dat zij zich weer in hun boerderij hadden teruggetrokken.

De techniek om de eieren van de pientere weidevogel te vinden bestond bij ons uit het stug zigzaggend de akkers aflopen met de blik zoekend schuin voor ons uit gericht. Op deze manier lukte het ons op een goede dag tien tot vijftien eitjes te vinden. Verbaasd en jaloers waren wij wanneer aan het eind van de dag het fameuze Watergangse zoekersduo Cor Betlem en Rinus Haars hun oogst bij mijn vader te koop kwamen aanbieden. Zij waren op dit gebied nog fanatieker dan wij en namen elk voorjaar speciaal vakantiedagen op voor hun geliefde “sport”. Op een dag, gelijk aan de onze, oogsten zij echter dertig tot zestig eitjes. Wat deden zij anders dan wij? Het lukte mij toestemming te krijgen om een keer een dag met hen mee te gaan. Ik ontdekte dat zij niet zochten, maar hoofdzakelijk alleen maar raapten. Comfortabel vanuit de auto, bij voorkeur vanaf een hoog punt zoals een dijk, bestudeerden zij met een verrekijker het gedrag van de kievit, om na een tijdje precies te weten waar het nestje zich bevond om er dan alleen nog maar naar toe te lopen en te rapen. Niet zoeken maar rapen dus.

Deze voor ons nieuwe methode werd door ons daarna ook met succes toegepast, waarbij we de melkjol maar lieten liggen en met de auto op zoek gingen naar nieuwe terreinen zoals de kleiachtige polders tussen Amsterdam en Haarlem waar druk werd gebouwd aan de Westelijke Tuinsteden.


Eerdere artikelen

| Weblog
Soms is de naam van een plant voor mij volstrekt onbegrijpelijk. Wat heeft de paardenbloem nou met een paard te maken?
| Weblog
Dit is de skrien. Jaren geleden besloten we om eindelijk eens het vochtige souterrain dat vol stond met oud huisraad, kachels, koelkasten, schotelantennes, boilers en andere kapotte elektrische apparaten leeg te ruimen. Het was allemaal zo waardeloos dat zelfs de zigeuner met het witte paard het niet gratis wilde weghalen. In een donkere hoek stond dit dressoir, zeker honderd jaar oud.
| Weblog
Alles wat een mens in zijn leven meemaakt, hoe belangrijk of onbelangrijk ook, wordt opgeslagen in het menselijk brein. Daar kunnen die ervaringen voor altijd ongebruikt opgeslagen blijven maar ze kunnen ook vele jaren later opeens tevoorschijn komen. Bijvoorbeeld in dromen waarin mensen of gebeurtenissen van lang geleden opeens figureren. Ik kan het mij nauwelijks voorstellen dat ergens in mijn hersenen bijna tachtig jaar aan kennis en ervaring bewaard ligt.
0
Shares