Gepubliceerd op:
21 juni 2026
Gewijzigd op:
21 april 2026
Gelezen: 123 x
Het verslag van Frans Banning Cocq
Noot van de auteur:
Daar waar in dit verslag de namen van bestaande personen worden genoemd (Jozef Stalin, Bert Mewe, Sinterklaas, Leo Plemp bijvoorbeeld) worden deze personen ook werkelijk bedoeld. Alle overige namen en ook de beschreven gebeurtenissen zijn fictief. Elke gelijkenis van de fictieve figuren of voorvallen in dit verhaal met werkelijke personen of gebeurtenissen is puur toevallig. Wanneer een lezer daarover een andere mening heeft kan ik als verteller daarvoor geen verantwoordelijkheid nemen. Verder bied ik aan al diegenen die tevergeefs in dit boek zoeken naar een gelijkenis met zichzelf of met een door hen ervaren gebeurtenis, er mijn oprechte verontschuldigingen voor aan dat zij niet in dit verhaal figureren.
Het kerkelijk slachthuis (een droom)
De klanken van orgelmuziek kon hij uit de verte al horen toen hij in de vroegte van de grauwe decemberochtend met zijn gehavende ongewassen smerig witte Mercedes Sprinter over de Jan van Galenstraat reed. Hij draaide het terrein van de Centrale Markt op. Zijn pasje hoefde hij bij de slagboom niet te tonen. De portiers kenden hem immers, zes dagen per week reed hij hier in en uit voor het vervoer van wat “wild en gevogelte” werd genoemd. Toen hij zijn bus parkeerde bij de konijnenslachterij van Pieter van Meel was de muziek al sterker geworden. Hij hield niet van orgelmuziek, maar deze had gelukkig niet zo’n hoog Wither shade of pale-gehalte. De schuifdeuren van de lage loods stonden open waardoor hij een vrije blik had op de werkzaamheden die daar binnen plaatsvonden. Er kwam een warme zoete walm naar buiten en hij herkende de vrouwen die er met bebloede voorschoten half gebukt en bij slechte verlichting aan het werk waren. Het waren allemaal dames uit de Landsmeerse politiek die de hazen en konijnen aan het villen waren die nog spartelend natrappend met de achterpoten hangend aan een knarsende ketting langzaam voorbij werden getrokken.
Het was de donkere dure decembermaand, vlak voor Kerstmis. De vleesproductie draaide op volle toeren en er werd geschreeuwd om extra arbeidskrachten. De dorpsbewoners wilden in deze tijd wel wat bijverdienen om de Nuon-fakturen te kunnen betalen die schreeuwend hoog opliepen ten gevolge van de kitscherige plaatselijke gewoonte om in de feestmaand overdadige wellustig lange slierten met duizenden lampjes door de tuinen en over de kapitale woonhuizen te spannen waarmee hun misdadige rijkdom op wanstaltige wijze voor de rest van de wereld moest worden geaccentueerd.
De decembermaand. Levenslang had hij zich er met de grootste moeite doorheen moeten worstelen. Als kind trok hij zich in de week voor Kerstmis terug op de zolder terwijl in het kolenhok naast hun huis honderden konijnen gekeeld werden, reusachtige ganzen hun doodskreten slaakten en kalkoenen met reeds afgehakte koppen in doodspaniek hun laatste passen over het erf maakten om uiteindelijk onder de perenbomen door hun poten te zakken en te bezwijken. Hij sloot zich dan op in zijn kamertje en plakte een groot vel papier op de deur waarop met reuzenletters geschreven was: “Mijn vader is een moordenaar!” Sinds die vroege kerstervaring had hij het vijftien jaar volgehouden vegetariër te blijven, tot hij zich actief met de politiek ging bemoeien want vanaf dat moment werd, zoals het hoort, de ethiek door hem verlaten. Kerstavond was de enige keer in het jaar dat zij naar de kerk gingen, op de fiets naar Watergang. Zij kwamen dan terug met een cadeautje, altijd zo'n stichtelijk boekje van W.G. van de Hulst Jr. (kun je nagaan hoe erg Sr. wel was!), uitgegeven door Callenbach in Nijkerk. Tot die keer dat het goot van de regen toen ze in het donker terugfietsten en hun zondagse kleren als dweilen doorweekt waren. Zijn vader was zo verbolgen over deze wandaad van God dat de kerk daarna nooit meer door hen is bezocht. Vanaf toen was voor zijn vader 'de Kerst' alleen nog een van de twee zakelijke hoogtepunten van het jaar, de konijnenvillerij, naast de handel in kievitseieren in het voorjaar.
Toen hij ouder was wist hij het kerstfeest meestal te vermijden door naar een ver buitenland te vertrekken. Zo bracht hij een keer de Kerst door met veel raki en dansende Turkse diplomaten in de vrieskoude nachtclub van Hotel Dajti in Tirana. Het sjiekste hotel van atheïstisch Albanië, waar geen verwarming was, maar ook geen kerstfeest. Of die keer ver in het zuiden van de Algerijnse Sahara, in het islamitische Tamanrasset, waar men in het eveneens steenkoude hotel tot zijn schrik voor die anderhalve toerist toch nog een woestijnwilg had opgericht en tot kerstboom omgetoverd. Of in de Bulgaarse hoofdstad Sofia, waar hij op 26 december, de geboortedag van Mao Tsetoeng, zijn vrouw leerde kennen. Of, nog niet zo lang geleden, in de sjieke quinta van een Portugees parlementslid, aan de druilerige noordkant van Madeira, zo stil en afgelegen tussen sinaasappelbomen en Arnsburgerwijngaarden dat ze af en toe naar buiten slopen om even te kijken of er echt niemand anders meer op de wereld was behalve zij en de rondscharrelende pullepetaters.
Kerstmis. Jarenlang runde hij een drukkerij aan de Rotterdamse Schiestraat, naast het Centraal Station, waar voor de oorlog de hoeren rondhingen en in de tijd dat hij er zat de junks. Een goed lopend zaakje was dat, bijna altijd een vol orderpakket. Tot die kerstdagen in 1988 waarop hij brak en besloot zijn grafische carrière te beëindigen. Voor een vaste klant, een museum, had hij de order aangenomen om een rijk geïllustreerde catalogus te drukken voor een tentoonstelling die op een van de eerste dagen van het nieuwe jaar zou openen. Een leuke klus waarmee ze lekker door die rommelige dagen rond Kerstmis heen konden komen. Maar nee. Zijn voltallig personeel meldde dat er nog ATV-dagen op te nemen waren en dat ze dus in de laatste week van het jaar niet op hun werk zouden verschijnen. Beide kerstdagen en de tussenliggende nacht bracht hij door in het rode licht van zijn drukkerij-doka om met een oververhitte reproductiecamera en een piepende en chemisch walmende ontwikkelmachine helemaal alleen het werk op tijd te kunnen klaren. Zoals hij al zei, deze kerstdagen zouden zijn definitieve breuk met het grafische vak inzetten.
De laatste jaren kwam het er door persoonlijke omstandigheden niet meer van op het eind van december het land te ontvluchten. Sterk toegenomen werkzaamheden noodzaakten hem om de rustige periode rond Kerst en Nieuwjaar te benutten voor ziekenhuisopnamen waar door ouderdom ontstane gebreken tijdelijk konden worden gerepareerd of weggesneden. En dan aansluitend in het eigen holletje recupereren om in januari weer in te voegen in de hectische maalstroom van het geld verdienen.
En zo was hij gedwongen geworden om mee te draaien in de gekte van de kerstgedachte. De ontwortelde Kaukasische spar, beter bekend als de Nordmann-spar, opgesierd, maar daar kon het niet bij blijven. De exhibitionistische lampjesgekte uit Den Ilp rukte jaar na jaar van twee kanten, via Purmerland en de Van Beekstraat, steeds verder op in zijn richting. En tot zijn schrik bemerkte hij dat opeens ook zijn buren al waren geïnfecteerd. Over een tweetal heesters hadden zij een lampjesnet gehangen dat eerst rustig brandde maar ten gevolge van een vernuftig Chinees chipje later een beetje ging knipperen, daarna harder ging knipperen, om vervolgens te ontaarden in een apocalyps van knetterend licht. Snel moest hij zijn verbaasde ogen dichtknijpen, wanneer je er langer dan een minuut naar keek moest het ongetwijfeld blijvende ernstige schade toebrengen aan de psyche. Spoedberaad in het gezin. En zijn vrouw was de wijste. Laten we in hemelsnaam ook maar een paar lichtjes in de boom hangen, zei ze, we worden hier toch al als buitenbeentjes gezien, straks praat het hele dorp over ons dat we er niet bij willen horen. En dus, de sociale controle gehoorzamend, klom hij in de buigzame toppen van de Bosnische abrikozenboom voor het bevestigen van een lampjessnoer. Om vervolgens met ladder en al ter aarde te storten en alsnog naar het ziekenhuis te worden afgevoerd. Hij haatte de kerstgedachte.
Daar zag hij aan de zijkant Bep Stout die in een onbesmeurde hagelwitte slagersjas de leiding over de slachterij probeerde te krijgen, met in de linkerhand een smeulend shaggie en een dampende cappuccino in de andere hand. Maar dat lukte haar niet, men vond haar er te dom voor. Debby Damme - voorheen Goede - daarentegen was druk aan het werk, de bloedspatten sprongen tot op haar witte slagersmutsje terwijl ze met in elke hand een vlijmscherp en blinkend mes haar dodelijke slagen toebracht aan het knaaggedierte dat aan de roterende ketting langs haar voorbijtrok. Achterin, een beetje bekakt truttend bij de darmenbak, herkende hij ook Maria van Onna nog.
Walgend wendde hij zijn blik af van dit schouwspel terwijl hij verder het terrein op liep in de richting van de alsmaar harder klinkende orgelmuziek. Achter op het marktterrein, zag hij in de schemerige decembermist een kerkgebouw dat hij daar eigenlijk nooit eerder had gezien, maar dat hij direct herkende als Het Kruispunt, jawel, nu herkende hij ook het smalle straatje waar hij doorheen liep, met zijn unieke naam: de Calkoenstraat. Zo raar had hij dat altijd gevonden, iedereen schreef kalkoen met een k, maar niet in Landsmeer, daar waren ze eigenwijs en vonden ze dat het calkoen moest zijn.
Als gehypnotiseerd door de aanzwellende muziek ging hij het gebouw binnen en zag meteen dat het de kerk van de Protestantse Gemeente Landsmeer toch helemaal niet was. Nee, binnen bleek de kerk veel hoger en groter. Hij twijfelde, deze kathedraal kende hij toch? Was het de Syrisch-orthodoxe kerk in Damascus niet, waaruit hij eens door een woedende priester was verjaagd toen zijn reisgenoot, de Tunesische performer Ahmed Ben Dhiab midden in de enorme ruimte met zijn zware stem op volle kracht een van zijn Chants Tatoués had aangeheven om de akoustiek te testen? Nee nee, nu zag hij het pas goed, het was de Parijse Notre Dame, waar hij in de jaren tachtig vele tientallen keren was binnengewandeld. Altijd op vroege zaterdagochtenden, nadat hij slaapdronken en met koppijn van te veel campari’s in het Radio Rijnmondcafé aan de Delftsestraat, op het Gare du Nord uit de nachttrein was gewankeld op weg naar zijn wekelijkse ontmoeting met de daar in ballingschap levende Marokkaanse auteur Abdallah Baroudi.
In die tijd werden Baroudi’s franstalige sociologische en politieke geschriften alsmede zijn poëziebundels en een piece dramatique uitgegeven door zijn Rotterdamse uitgeverij Hiwar, wat het arabische woord voor dialoog moet zijn. Abdallah’s adres was voor iedereen, zelfs voor zijn uitgever, geheim. Een telefoonnummer had hij niet. Hij leefde namelijk in de voortdurende vrees dat met hem hetzelfde zou gebeuren als met Mehdi Ben Barka, de opposant (“Israël is het paard van Troje van het imperialisme.”) van de Marokkaanse koning en groothandelaar in hasjiesj Hassan Deux, die op vrijdag 29 oktober 1965 op klaarlichte dag om half één in een eendrachtige samenwerking van de Franse en de Marokkaanse geheime dienst met Mossad en CIA werd ontvoerd voor de Brasserie Lipp op de Boulevard Saint-Germain, om nog dezelfde avond in een villa in Fontenay-le-Vicomte te worden doodgemarteld door de beruchte oud-Gestapomedewerker generaal Oufkir en diens commandant Dlimi.
De afspraken met Baroudi werden gemaakt in steeds wisselende café’s in steeds wisselende Parijse stadswijken. Wanneer een afspraak gemist werd kon het weken duren voordat via anonieme helpers het contact hersteld werd. De ontmoetingen waren altijd op zaterdagochtend om tien uur en begonnen met een uitvoerige inspectie door de schrijver van zijn omgeving. Onderkanten van tafels en stoelranden werden betast op de aanwezigheid van afluisterapparatuur. Andere cafébezoekers konden als spionnen in aanmerking komen en er de aanleiding toe zijn dat de redactievergadering ogenblikkelijk werd verplaatst naar een andere lokaliteit in een ander stadsdeel die via diverse metroritten moest worden bereikt. Eindelijk tot rust gekomen meldde hij dan met zijn kenmerkende hoge piepstem, ten gevolge van door een ziekte aangetaste stembanden, en voortdurend om zich heen spiedend naar nieuwe gevaren, zijn kommentaar op de drukproeven en omslagontwerpen die hem een week eerder waren overhandigd.
Ja, hij herkende direct de enorme gewelven van de Notre Dame, waaronder hij zo vaak had rondgewandeld om de tijd te doden die hem nog wachtte voor zijn afspraak met de paranoïde Marokkaan. Direkt bij het binnentreden zag hij het enorme kerkorgel en op de rug de organist die het bespeelde. Plotseling verstomde de muziek, de speler rees op van zijn kruk en draaide zich naar hem om. Het was de rijzige gestalte van de roomse Rotterdamse boekbinder Hans Bruijstens van de Wijnkade die grijnzend met zijn linkerhand een stapel onbetaalde fakturen omhoog stak onder het uitroepen van: “Ik krijg nog geld van je, een heleboel geld, of heb je het weer naar de hoeren gebracht?”
Hij bukte een beetje ontwijkend en liep snel door naar achter, het halfduistere gebouw in. Nu hoorde hij de geluiden die tot dan toe door de orgelklanken waren overstemd. Het waren de afgrijselijke kreten van dieren in doodsnood. Door imposante deuren in de zijbeuken van de kerk joegen luid schreeuwende veedrijvers met elektrostokken eindeloze kudden slachtvee het gebouw in om daar in een volcontinu slachtproces tot hapklare brokken te worden verwerkt. Links was de slachtbaan waar Jaap Jongewaard met rollende ogen een enorme stenen knots boven zijn hoofd zwaaide waarmee hij elke minuut een brullend rund de kop insloeg terwijl hij tegelijkertijd met de andere hand op een paralelle baan de schapen met een bot mes de keel doorzaagde tot het bloed vrijelijk vloeide. Ondanks zijn drukke werkzaamheden had Jaap nog wel de tijd om hem toe te snauwen: “Door jou…, door jou…, door jou ben ik geestelijk gestoord geworden!”
Aan de andere zijde van het gebouw kwamen de varkens en de kippen binnen. Daar stond de verwerking onder leiding van twee vrouwen. Annie X die hij pas had leren kennen doordat zij een aanklacht wegens smaad, en toen dat tevergeefs bleek een nieuwe, eveneens tevergeefse, aanklacht wegens belediging tegen hem had ingediend. Ja, de rechtsgang moest wel hopeloos zijn wanneer deze werd aangegaan door iemand die je helemaal niet kende maar die wel vond dat je haar beledigd had. Annie X dus, zat wijdbeens op een barkruk de langsschuivende vaalwitte plastic kippenkisten leeg te trekken om het luid kakelend en spartelend gevogelte in hoog tempo met de kop naar benden in de roterende trechters te proppen waar onderin pulserende tangen de strotjes doorknipten.
Een stukje verder werden de varkens binnengeleid die door Leny Overweg onder het woest uitkreten van de woorden “Halal ! Halal !” aan de poten werden aangehaakt en met een lier krijsend en spartelend omhoog werden gehesen om vervolgens aan de helse lopende band met een vlijmscherpe kettingzaag nog levend in tweeën te worden gespleten. Het verbaasde hem wel dat de varkens door haar halal geslacht werden, maar hij had altijd al de indruk gehad dat zij de slimste niet was.
Boven op de kansel stond Ine ten Brink die de totale leiding had over de slachtingsprocessen. Met een dun dirigentenstokje in haar groenlinkse hand gaf zij streng leiding aan het slachtersorkest, gekleed in een politieuniform met hoge blauwe kraag waar haar onnatuurlijk rood geverfde haar als een door intensief gebruik verfomfaaide pleeborstel parmantig boven uit stak. De massale woestheid van het slachtingsproces en de benauwde warme damp van bloed, stront en ingewanden bedwelmden hem en langzaam ontwaakte hij uit zijn nachtmerrie...
Het ontwaken
Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de twintigste december 2006 in ons dorp, in de arrestantencel op de begane grond van het politiebureau op de hoek van de Dorpsstraat en de Van Beekstraat, de tragische held van deze geschiedenis, Frans Banning Cocq, zwetend ontwaakte. Alleen hoog boven zijn brits kwam door het betraliede raampje een vaag schijnsel naar binnen van de kerstversieringen waarmee twee plaatselijke tycoons, een tot supermarkt- annex onroerend goedexploitant verworden kruidenierszoon en een door goedkope shampoo en haargel rijk geworden kappersjongen hun penthousen zo rijkelijk hadden opgetooid. Hij wreef met beide handen over zijn pijnlijke gezicht vol schrammen en bulten, merkte dat zijn onmisbare bril was verdwenen en proefde het zilte bloed aan zijn handen. Wat was er gebeurd? O, hij had weer zo’n nare droom gehad, zo’n nachtmerrie waarin altijd weer dezelfde thema’s zich herhaalden: schuldeisers en slachthuizen. Vroeger was hij er altijd trots op geweest dat hij nooit droomde, hij sliep altijd vast en ongestoord door hersenschimmen, zelfs de moeilijkste tijden en de grootste problemen weerhielden hem niet van een rustige droomloze slaap. Maar het was begonnen sinds hij in Landsmeer was komen wonen, zo’n dikke tien jaar geleden, toen was de ellende geleidelijk aan begonnen. En nu, de laatste jaren kon hij zich geen nachtrust meer herinneren zonder angstdromen met bloedbaden, slachthuizen en zenuwslopende confrontaties met mensen die hij in het dagelijks leven zou mijden als de pest.
Maar wat was er echt gebeurd? Langzaam begonnen de recente gebeurtenissen weer tot hem door te dringen. Hij had het gedaan! Eindelijk had hij het werkelijk gedaan! Het was allemaal eigenlijk al begonnen op de elfde december 1991. Een jaar daarvoor had hij zijn grafisch bedrijf dat hij sinds de eerste mei van 1975 in Rotterdam voerde, voor een redelijke som geld aan een hebberige collega van de hand gedaan en een jaar later had hij zich tijdens de Golfoorlog als vennoot tijdig teruggetrokken uit de in groepsreizen naar moslimlanden gespecialiseerde reisorganisatie die spoedig daarna failliet ging. Hij was moe na een opwindend leven van zakelijke en politieke activiteiten in de wereld van links en uiterst links. Hij was ook best wel een beetje trots op wat hij gedaan had. Hij had belangrijke bijdragen geleverd of was zelfs medeoprichter geweest van invloedrijke aktiegroepen en organisaties zoals de roemruchte Socialistiese Jeugd (SJ), de Bond Voor Dienstweigeraars (BVD), de Nederlandse Studentenraad (NSR), de Algemene Leidse Studenten Vereniging (ALSV), de Leidse Socialistiese Drukkerij (LSD), de Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland/ml (KEN/ml), de Kommunistiese Partij Nederland/ml (KPN/ml), het Albanië Informatie Komitee (AIK), het Polisario Komitee (hij had nog de naam Polisario Informatie Komitee voorgesteld maar dat hadden de medeoprichters qua afkorting niet haalbaar gevonden), en de Socialistische (eerst nog Socialistiese) Partij (SP) waarvan hij op het oprichtingscongres in een Bospolders feestzaaltje als stemgerechtigde afgevaardigde namens de afdeling Rotterdam-Noord van de KPN/ml aanwezig was. Terecht en met trots vertelde hij dan ook nog vaak dat hij een van de oprichters van de SP was.
En ja hoor, het was weer zover. Ongemerkt was hij weer begonnen een lijstje te maken. “Jongens houden van lijstjes,” hoorde hij Matthijs van Nieuwkerk onlangs op tv nog zeggen. Nou, voor hem gold dat zeker. Hij beschouwde het als een van zijn twee afwijkingen, om te pas maar meer nog te onpas lijstjes samen te stellen. Hij deed het vooral tegenwoordig tijdens de vele slapeloze nachten. Wanneer anderen schaapjes telden in een poging de slaap te vatten, dan maakte hij lijstjes. Ze konden over de vreemdste dingen gaan, het lijstje Mijn auto’s bijvoorbeeld leek nog vrij normaal, net als het lijstje Buitenlandse vakanties, maar het lijstje Vrouwen waarmee ik het gedaan heb werd al minder, laat staan de lijstjes (en dat waren toch twee van zijn favorieten): Absoluut slapeloze nachten en Verblijf in gevangenschap. Urenlang was hij soms ’s nachts ook bezig met de precieze benoeming en definiëring van de lijstjes. Neem nou het zojuist ongemerkt ontstane lijstje. Dat zou compleet zijn wanneer hij er de naam Politieke organisaties waarin ik actief ben geweest zou geven. Maar benoemde je het lijstje even anders, zoals Politieke organisaties waarvan ik lid ben geweest, dan zou het overzicht opeens niet compleet meer zijn aangezien de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) erin ontbreekt. Het lijstje Mijn auto’s, moest dat alle auto’s bevatten waarin hij langere tijd had gereden, of alleen de auto’s die zijn eigendom waren geweest. En het Buitenland-lijstje, ging dat alleen over vakanties of vielen ook zakelijke reizen daar onder. Om het nog maar niet te hebben over het Vrouwenlijstje, moesten daar ook de one night stands en de betaalde liefde onder gerekend worden? In dat geval zou het wel een erg problematische opsomming worden. Overigens, nu hij er toch mee bezig was, ook het lijstje Vrouwen waarop ik verliefd ben geweest en interessanter, korter maar problematischer om samen te stellen: Vrouwen die op mij verliefd zijn geweest, die zouden toch ook de moeite van het samenstellen waard zijn…. Nee nee, weg even met zijn lijstjesmanie, hij moest proberen aan iets anders te denken.
Dankzij een redelijk slimme constructie van stichtingen en faillissementen had hij na de verkoop van zijn drukkerij een aardig bedrag voor zichzelf kunnen behouden en resterende schuldeisers hield hij van zich af door onvindbaar te zijn. In het bevolkingsregister was hij ingeschreven op een adres in de Groningerstraat, een leegstaande sloopwoning in Hillesluis die bewoond was geweest door de Albanese Sigurimi-agent die jarenlang in zijn bedrijf gestationeerd was geweest maar die na de kapitalistische machtsovername door Sali Berisha hals over kop met de noorderzon was vertrokken. Ondertussen genoot hij van zijn welverdiende rust in een luxe flat hoog boven het moderne centrum van Rotterdam. Van daaruit hield hij zich bezig met het schrijven van nooit gepubliceerde memoires en reisgidsen, wel gepubliceerde artikelen over architectuur en stedenbouw en het ondernemen van vele reizen door Oost Europa, Centraal Azië en de Arabische wereld. Tot hij op de elfde december van 1991 aan het begin van de middag werd gebeld door de Landsmeerse huisarts Kees Melcherts. Zijn vader, de gepensioneerde eierenhandelaar, was op het erf achter zijn woning aan de Kanaaldijk (let wel, achter vanaf de dijk gezien), dood gevonden met zijn fiets naast zich.
Jan was fietsend teruggekomen van een condoleancebezoek voor een buurman, een voormalige melkboer die zijn leven had gesleten met het huis aan huis in het dorp uitventen van litertjes flessenmelk. Volgens het verhaal had een onbekende, op de Kanaaldijk passerende fietser aan de voordeur aangeklopt om zijn moeder er op te wijzen dat er bij de schuur achter de woning (let wel, achter vanaf de dijk gezien) een man met een fiets op het straatje lag. Toen zijn moeder zich, slecht ter been maar zo snel als zij kon, naar achteren had gespoed vond zij haar man levenloos en met een grote hevig bloedende hoofdwond aan. De onbekende fietser verdween meteen, zonder verder van zich te laten horen. Voor de opgeroepen huisarts was het duidelijk, doodsoorzaak een hartaanval, hij had immers al eens geklaagd over pijn in de bovenarm. De hoofdwond was veroorzaakt door de val op de straattegels.
Verschillende malen in de jaren daarna heeft hij in december de fiets gepakt om over de Kanaaldijk vanuit beide richtingen langs het huis te rijden. Vanuit die positie kon een onbekende onmogelijk door de takken van de elzenhaag en langs de stammen van esdoorns, kersen- en appelgeboomte ver achter de woning (let wel, achter vanaf de dijk gezien dus) iemand op straat zien liggen. Dat was alleen mogelijk als je stopte om gericht in de verte te zoeken naar iets waarvan je verwachtte dat het op het pad achter de woning zou kunnen liggen. En waarom was de onbekende fietser na zijn melding zo snel verdwenen? Voor hem was hier duidelijk sprake van doodslag maar daarin wilde niemand met hem meegaan.
Zijn vermoeden van een roofoverval werd korte tijd na de crematie nog versterkt toen zijn moeder hem opdracht gaf om achter in schuur waarvoor zijn vader dood gevonden was, te gaan zoeken naar de roestige oude stalen melkbus waarin zijn vader altijd een dikke portefeuille met geld bewaarde, de oudedagsreserve. De melkbus had hij snel gevonden; er bleek echter niets meer in te zitten. Zijn moeder barstte uit in een dramatische huilbui.
De eerste jaren
Eigenlijk was het dus allemaal begonnen op die elfde december in 1991. Onverwacht bleven na die criminele datum in de woning aan de Kanaaldijk waarin hij was opgegroeid, twee mensen achter die eigenlijk niet zonder begeleiding verder konden. Zijn moeder was nooit de slimste geweest, had zelfs de lagere school niet afgemaakt, maar had zich op een enkele zenuwinzinking na die zelfs tot een kortstondige opname in een psychiatrisch ziekenhuis had geleid, redelijk redden. Zijn oudere zuster daarentegen had een geestelijke handicap waardoor ze het beslist niet zelfstandig kon rooien. Nadat zij op de lagere school twee keer was blijven zitten in het eerste leerjaar ging zij over naar het BLO, het Buitengewoon Lager Onderwijs in Amsterdam Noord. Daarna werkte zij korte tijd in een naaiatelier waar zij al snel op staande voet werd ontslagen nadat door een verkeerde handeling harerzijds een lopende band kapot was gegaan waardoor de productie stil kwam te liggen. Na een reeks rechtszaken en beroepsprocedures was het zijn vader gelukt voor haar een invaliditeitsuitkering te verkrijgen. Tegen alle adviezen in hadden zijn ouders altijd volgehouden zijn zuster zelf thuis te begeleiden en haar niet in een woongemeenschap voor geestelijk gehandicapten te laten opnemen. Onder de leiding van zijn vader was dat allemaal vele jaren goed gegaan hoewel hij hem vooral de laatste tijd veelvuldig had horen verzuchten: “Het gaat niet goed jongen, het gaat niet goed.” Deze vaak herhaalde woorden waren waarschijnlijk ingegeven doordat geconstateerd moest worden dat het met zijn moeder geleidelijk aan slechter ging. Niet alleen werd zij zeer slecht ter been, ook werden de eerste verschijnselen waargenomen waaraan vermoed kon worden dat het proces van dementie begonnen was.
Aangezien door de dood van zijn vader niet meer over autovervoer beschikt kon worden en de woning zich afgelegen buiten de bebouwde kom op drie kilometer afstand van de dichtstbijzijnde winkel bevond, kon wel aangenomen worden dat de situatie waarin moeder en dochter zich bevonden niet lang stand kon houden. Aangezien zij ondanks geregelde ruzies een onafscheidelijk duo vormden dat vijfenveertig jaar lang in Landsmeer had gewoond, was het duidelijk dat er voor hen gezocht moest worden naar een nieuwe woonruimte dichter bij de kern van het dorp. En dat werd zijn eerste kennismaking met de Landsmeerse gemeenschap. Wat kwam het mooi uit dat de Humanistische Stichting voor Huisvesting van Bejaarden net een nieuw gebouw realiseerde aan de Tormentilstraat, genaamd “De Knik”. Ze kregen de bevestiging dat zij in dat gebouw vlak tegen de dorpskern een flat konden krijgen en ze kregen zelfs de uitnodiging om deze eerst te komen bezichtigen. De teleurstelling kwam snel daarna. Het feest kon niet doorgaan. De argumenten waren nu opeens: uw moeder is te oud en uw zuster is te jong om hiervoor in aanmerking te komen.
(wordt misschien vervolgd)